bodem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·dem
enkelvoud meervoud
naamwoord bodem bodems
verkleinwoord bodempje bodempjes

Zelfstandig naamwoord

bodem m

  1. een onderkant
    • De bodem van de emmer is lek. 
  2. de grond
    • De bodem raakte hierdoor verontreinigd. 
  3. (scheepvaart) een schip
    • In de haven lag een vloot van meer dan dertig Engelse bodems. 
  4. de onderkant van een water
    • Het schip ligt op de bodem van de rivier. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie