landijs

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Landijs

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • land·ijs
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord landijs -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

landijs o

  1. een dik ijspakket dat een landgebied van grote omvang bedekt
    • Bijna al het landijs op Groenland is deze maand gesmolten. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.

Meer informatie