rijk
Uiterlijk
- Geluid: rijk (hulp, bestand)
- IPA: / rɛik / (1 lettergreep)
- (Noord-Nederland): /rɛɪ̯k/, /ræɪ̯k/
- (Vlaanderen, Brabant): /rɛːk/
- (Limburg): /rɛɪ̯k/
- rijk
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | rijk | rijker | rijkst |
| verbogen | rijke | rijkere | rijkste |
| partitief | rijks | rijkers | - |
rijk
- (persoon) veel geld en/of eigendommen hebbend
- ▸ Rijk zijn is niet hetzelfde als tevreden zijn.[2]
- ▸ 'Serviesgoed dat de wereldzeeën omspant ' 'Moet mijn man altijd zelf reizen? Is hij niet zo rijk dat hij een ander op pad kan sturen?' Otto kijkt fronsend naar het lemmet dat hij oppoetst.[2]
- ▸ 'Een kans om rijk te worden.[2]
- ▸ 'Denk je dat ze met me zouden praten als ik niet zo rijk was?' 'Zijn we rijk?' De woorden rollen uit haar mond voordat ze er erg in heeft.[2]
- overvloedig
- ▸ En waar bent u op die rampzalige dag? Waar? Staat u tot aan uw ellebogen tussen gesuikerde zoetigheden en rijk gevulde kippenpasteien? Wordt u bedolven door uw zijden kleren en diamanten halssnoeren?' Nella hoort Cornelia zuchten.[2]
- uitgebreid, veelomvattend
- waardevol
- ▸ Als ik de volle maan zie sla ik vreemd genoeg altijd een kruis, kus mijn duim en wijs naar de maan als gebaar van dankbaarheid voor de rijke ervaringen in mijn leven en de mensen om mij heen.[3]
|
|
- De koning te rijk zijn
Heel rijk zijn/Het heel erg goed hebben/Heel gelukkig zijn
- Jezelf rijk rekenen
Denken dat je in een gunstiger positie bent dan in feite het geval is
- Wijd van huis is altijd rijk
Iemand die naar een ver oord reist, kan daar gemakkelijk onwaarheden over zichzelf vertellen en zichzelf ophemelen (aangezien diegene daar een volslagen vreemde is)
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rijk | rijken |
| verkleinwoord | rijkje | rijkjes |
het rijk o
- (geopolitiek) een staat of natie onder het gezag van een vorst of andere heerser
- Het rijk van Karel de Grote had geen hoofdstad.
- ▸ Alle deelnemers waren etnische Grieken of identificeerden zich als zodanig; er waren heel wat atleten bij afkomstig uit het Ottomaanse rijk.[4]
- (biologie) een taxon dat bestaat uit een of meer stammen en dat deel uitmaakt van een domein
|
|
- Van rijkswege
1. een staat of natie onder een vorst of heerser
- Het woord rijk staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "rijk" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[5] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- 1 2 "rijk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- 1 2 3 4 5 Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789021809526 Citefout: Ongeldig label <ref>; de naam "Het huis aan de gouden bocht" wordt meerdere keren met andere inhoud gedefinieerd. - ↑ Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers

- ↑ Onno van Nijf“Sportgeschiedenis” (2021), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025312275 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Geopolitiek in het Nederlands
- Biologie in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %