landsheer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lands·heer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord landsheer landsheren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

landsheer m

  1. (beroep) (regering) een algemene benaming voor een vorst die in een bepaald gebied de territoriale soevereiniteit bezat.
    • Tot 1522 was de bisschop van Utrecht de landsheer van Drenthe.  
    • Koning Willem I was landsheer van het Koninkrijk der Nederlanden. 
     Toen hoorde hij tot zijn angst en vreugde de stem van de aartsengel Gabriel als een lied van binnen uit de klif komen, een stil lied dat hem aanmaande zijn landsheer te halen want die had een nog grotere zorg.[1]
Synoniemen
  1. heerser, vorst, gebieder, koning, soeverein

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Echte Amerikaanse jeans” (2017), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044632767
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be