grond

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grond
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bodem’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord grond gronden
verkleinwoord grondje grondjes

Zelfstandig naamwoord

grond m

  1. (geologie) een bepaald stuk van het aardoppervlak
    • De projectontwikkelaar heeft die grond gekocht om huizen op te bouwen. 
     De enige vlakke grond was de trail zelf dus ik hoopte dat er geen vroege hiker over me heen zou vallen in de ochtend. Maar dat gebeurde wel.[2]
  2. (geologie), (plantkunde) de stof van het aardoppervlak waarop planten en bomen groeien
    • De jongen zat de hele dag met zijn handen in de grond. 
  3. (geologie) het aardoppervlak in algemene zin
    • Na een lange vliegreis stonden we eindelijk weer op de grond. 
  4. (geologie) zeebodem
    • Het schip was aan de grond gelopen. 
  5. (figuurlijk) de reden of basis van gedrag, houding, standpunt of motief
    • Op welke grond heb je dat gedaan? 
  6. (figuurlijk) (psychologie) het diepste wezen van iets of iemand
    • In de grond is hij niet slecht. 
    • Ik geloof in de grond van mijn hart dat er ergens iets is. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3]: Aan de grond houden
niet laten vliegen
 De Marshelikopter Ingenuity van NASA heeft na ruim een jaar 28 vluchten gemaakt, maar maakt zich nu op voor een zware winter op de rode planeet. NASA moet een update doorvoeren voordat de helikopter opnieuw kan vliegen. Op dit moment wordt hij door een sensorfout aan de grond gehouden.[3]
  • [3]: Aan de grond zitten
(Bijna) helemaal niets meer hebben; uitgeput zijn
  1. «Zij zaten financieel aan de grond
  • [2]: Als paddenstoelen uit de grond schieten
Overal snel uit het niets tevoorschijn komen
  • [1]: Door de grond [kunnen] zakken
Zich plotseling erg beschaamd of vernederd voelen
  • [4]: Geen grond hebben
Geen basis hebben, op niets gestoeld zijn
  • [3]: Geen voet aan de grond krijgen
Geen houvast kunnen krijgen, ergens geen vat op krijgen
  • [1]: Met beide benen op de grond staan
Realistisch zijn
  • Met de grond gelijk maken
Geheel afbreken, slopen
  • [3]: Vaste grond onder de voeten hebben
Weer veilig aan land zijn; weer op een veilig, bekend terrein zijn
 Het heeft geen zin om je ervoor te schamen, misschien moet je het eerder zien als een illustratie van het eind van een mentaliteit in deze naïeve jaren vijftig die spoedig vervangen zou worden door de opvatting over gelijkheid en solidariteit van onze tijd? Nu de iets leukere polemiek over de inhoud, ik denk dat ik daar vastere grond onder de voeten heb dan bij een discussie over stijl.[4]
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gronden

grond

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gronden
    • Ik grond. 
  2. gebiedende wijs van gronden
    • Grond! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gronden
    • Grond je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "grond" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 2 juli 2022 Weblink bron “Marshelikopter heeft een update nodig om te kunnen blijven vliegen na sensorfout” (07 juni 2022), NU.nl
  4. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Echte Amerikaanse jeans” (2017), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044632767
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

grond

  1. grond


Veluws

Zelfstandig naamwoord

grond

  1. grond