grond

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grond
enkelvoud meervoud
naamwoord grond gronden
verkleinwoord grondje grondjes

Zelfstandig naamwoord

grond m

  1. een bepaald stuk van het aardoppervlak
    De projectontwikkelaar heeft die grond gekocht om huizen op te bouwen.
  2. de stof van het aardoppervlak waarop planten en bomen groeien
    De jongen zat de hele dag met zijn handen in de grond.
  3. het aardoppervlak in algemene zin
    Na een lange vliegreis stonden we eindelijk weer op de grond.
  4. de reden of basis van gedrag, houding, standpunt of motief
    Op welke grond heb je dat gedaan?
  5. zeebodem.
    Het schip was aan de grond gelopen.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: met beide benen op de grond staan
realistisch zijn
  • [2]: als paddenstoelen uit de grond schieten
overal snel uit het niets tevoorschijn komen
  • [3]: vaste grond onder de voeten hebben
weer veilig aan land zijn
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gronden

grond

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gronden
    Ik grond.
  2. gebiedende wijs van gronden
    Grond!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gronden
    Grond je?