landelijk

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lan·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van land met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen landelijk landelijker landelijkst
verbogen landelijke landelijkere landelijkste
partitief landelijks landelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

landelijk

  1. met betrekking tot of geldend voor het hele land
    • De gemeentelijke verkiezingen worden overschaduwd door de landelijke politiek. 
    • De landelijke museumdag trok veel bezoekers. 
  2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
    • Het aantal inwoners in een landelijke omgeving neemt gestaag af. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be