landen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lan·den
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘aan land zetten of komen’ voor het eerst aangetroffen in 1450 [1]
  • afgeleid van land met het achtervoegsel -en [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
landen
landde
geland
zwak -d volledig

Werkwoord

landen

  1. ergatief vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
    • In 1969 is de mens voor het eerst op de maan geland. 
  2. (figuurlijk) ergens aankomen en tot stilstand komen
    • Spottend neemt het gezelschap plenair de gezondheidsgekte van Californië door - altijd weer slaaa!, de voor David te luide kutmuziek die uit de boxen komt, de geldgeilheid in de commerciële kunstwereld, om toch weer euforisch te landen bij de obsessieve aandrang van die westkust-piepeltjes om een coach in te huren om gezond te leven. [3] 
Hyponiemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

landen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord land

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie