landsman

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lands·man
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord landsman [1],[2]: landsmannen, landslui, landslieden
[3]: landslait
verkleinwoord landsmannetje landsmannetjes

Zelfstandig naamwoord

landsman m

  1. (verouderd) tot een bepaald land behorende persoon
    • Na den dood van den stadhouder Joost van Lalaing werd heer Jan, ingevolge het van Maximiliaan verkregen privilegie, dat de stadhouder een landsman moest zijn, zijn opvolger. [1]
  2. landgenoot
    • Rorik vertrok toen met zijn landsman Godfried naar Denemarken om een gooi te doen naar het koningschap. [2]
  3. (Jiddisch-Hebreeuws) land-, streek- of plaatsgenoot[3]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen