landvoogd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • land·voogd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord landvoogd landvoogden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

landvoogd m [2]

  1. (politiek) is in het algemeen de functiebenaming voor een persoon die een land bestuurt als vertegenwoordig(st)er van de vorst of landsheer
    • De laatste landvoogd van Nederlands-Indië (Huib van Mook) was al vroeg een voorstander van een ‘vrij en gelukkig Indonesië’. In Den Haag werd hem zijn beleid kwalijk genomen. Pas nu krijgt hij zijn biografie.[3] 
    • Met een kwaadaardig genoegen sabelt De Groot de Engelse landvoogd Leicester neer, 'een eminent vervalser van deugden, die de onaangename en onfortuinlijke hoogmoed van het geslacht Dudley onder een uiterst prettige omgang wist te verbergen'. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. landvoogd op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. NRC Dirk Vlasblom 23 mei 2014
  4. Volkskrant Sander van Walsum 15 maart 2014