landeigenaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • land·ei·ge·naar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord landeigenaar landeigenaren
landeigenaars
verkleinwoord landeigenaartje landeigenaartjes

Zelfstandig naamwoord

landeigenaar m

  1. iemand die landerijen bezit
    • U moet hiervoor de landeigenaar spreken. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be