buitenland

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·ten·land
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buitenland -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

buitenland o

  1. ieder land buiten het eigene
    Volgende week ga ik op vakantie naar het buitenland.
    De schrijver geeft lezingen in binnen- en buitenland.
Vertalingen