banen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·nen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘een weg maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
banen
baande
gebaand
zwak -d volledig

Werkwoord

banen

  1. wederkerend zich een weg ~: een pad maken waar er geen was, resoluut doordringen in iets
    • Hij heeft zich een weg door het oerwoud gebaand. 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

banen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord baan

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
Naar frequentie 1687

Zelfstandig naamwoord

banen

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van bane