banen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
banen
baande
gebaand
zwak -d volledig

Werkwoord

banen

  1. wederkerend zich een weg ~: een pad maken waar er geen was, resoluut doordringen in iets
    • Hij heeft zich een weg door het oerwoud gebaand. 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

banen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord baan

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.


Deens

Woordafbreking
  • ba·nen
Naar frequentie 1632

Zelfstandig naamwoord

banen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van bane