functie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • func·tie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘ambt’ voor het eerst aangetroffen in 1652 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord functie functies
verkleinwoord functietje functietjes

Zelfstandig naamwoord

functie v

  1. doel of taak binnen een geheel van een systeem of apparaat
    • De functie van de antenne is om het radiosignaal te ontvangen. 
    • De functionaliteit is het geheel aan functies. 
  2. positie, ambt of betrekking binnen een bedrijf of organisatie
    • Wat is de functie van die nieuwe werknemer? 
  3. (wiskunde) definieert de afhankelijkheid van één element (de functiewaarde) van één of meer anderen
    • Sinus en cosinus zijn periodieke functies.. 
  4. (informatica) een subroutine (als eenheid beschouwd deel van een computerprogramma dat aangeroepen kan worden) die een waarde oplevert.
    • De ontwikkelaar had uitgevonden in welke functie het programma fout ging. 
    • Onderdeel van de systeemontwikkelingsmethodologie is een rapport dat bestaat uit een volledige beschrijving van de functies van het informatiesysteem. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen