jungle

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jun·gle
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord jungle jungles
verkleinwoord jungletje jungletjes

Zelfstandig naamwoord

jungle m

  1. tropisch oerbos
    • Zij waren op expeditie in de jungle. 
  2. overdrachtelijk een omgeving waar het wild toegaat
    • Die sloppenwijken zijn een jungle waar een mens zijn leven niet zeker is. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie