banengroei

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·nen·groei
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord banengroei
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

banengroei m

  1. toename van de hoeveelheid betaald werk dat beschikbaar is; toename van de werkgelegenheid
    • De eurozone groeit dit jaar 2,3 procent (eerder geraamd: 2,1) en volgend jaar 2 procent (eerder geraamd: 1,9). Nederland doet het met 2,9 en 2,5 procent nog beter. Brussel schrijft de extra gunstige cijfers voor ons land toe aan zowel investeringen als toegenomen consumentenbestedingen door hogere lonen en banengroei. Ook de gestegen huizenprijzen helpen. [1] 
    • Tegelijk stijgt vooral het aantal flexibele banen. De uitzendbranche is verantwoordelijk voor de helft van de totale banengroei. De sector is daarmee inmiddels goed voor 834.000 jobs, waarmee ongeveer één op de tien Nederlanders een uitzendbaan heeft. [2] 
    • ,,Dankzij de banengroei hebben consumenten meer te besteden, en dat doen we ook massaal. De consumptie is het afgelopen jaar weer gegroeid, vooral in de detailhandel. [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Tubantia Frans Boogaard 07-02-18 'Meer groei voor EU-landen'
  2. Tubantia David Bremmer 14-02-18 Economie draait geweldig, hoogste groei sinds 2007
  3. Tubantia Aiko van Hooijdonk 06-03-18 We kopen meer en duurder eten