Naar inhoud springen

baantje

Uit WikiWoordenboek
  • baan·tje

hetbaantjeo

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord baan
     De mensen die na veel aandringen iets wilden zeggen, deden dat anoniem. Ze waren doodsbang voor hun baantje.[1]
     De explosieve metamorfose van vreedzame protesten naar geweldige rellen had de Kip een baantje opgeleverd waar hij alleen van had kunnen dromen. Het Commissariaat was dag en nacht jong volk door de gangen aan het slepen, nog bij bewustzijn of bewusteloos, dat vervolgens achter slot en grendel werd geplaatst of in een kamertje tot bloedens toe verhoord.[2]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[3]