betrekking

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·trek·king
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘werkkring’ voor het eerst aangetroffen in 1866 [1]
  • Naamwoord van handeling van betrekken met het achtervoegsel -ing.
enkelvoud meervoud
naamwoord betrekking betrekkingen
verkleinwoord betrekkinkje betrekkinkjes

Zelfstandig naamwoord

betrekking v

  1. een band of relatie
    • Dat land heeft geen diplomatieke betrekkingen met Nederland. 
  2. een bezigheid waaruit men inkomsten haalt, de baan, ambt, post, werkkring
    • Ze heeft momenteel een tijdelijke betrekking. 
  3. een verband
    • Dit zeg ik u met betrekking tot uw vraag. 
     Dit alles zou ik geneigd zijn positief te beoordelen. Daar staat echter tegenover dat deze vaas met plastic bloemen reden geeft tot zorgen met betrekking tot de affiniteit die de nieuwe eigenaar heeft met onze tradities. Maar ik wil u niet met mijn bekommeringen vervelen. We zijn er. Dit is kamer 17, de suite die ik voor u op orde heb laten brengen.[2]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen