positie

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • po·si·tie
enkelvoud meervoud
naamwoord positie posities
verkleinwoord positietje positietjes

Zelfstandig naamwoord

positie v

  1. een stand van het lichaam
    De sportman stond in positie , klaar om met al zijn armspieren de kogel zo ver mogelijk te stoten.
  2. een innerlijke houding
    Hij bevond zich in een erg pijnlijke positie nadat zijn vriendin hem verlaten had.
  3. een plaats van waaruit men iets onderneemt
    De racewagen vertrok vanuit een erg gunstige positie waardoor hij ook de wedstrijd kon winnen.
  4. een toestand waarin iemand zich bevindt
    De advocaat wist zich geen raad met de huidige positie van zijn cliënt.
  5. een vaste betrekking
    De vrijgekomen positie bij het Openbare Ministerie was heel snel ingenomen.
  6. een maatschappelijke stand
    Mensen die te rade gaan bij het OCMW bevinden zich vaak in een erg benarde positie.
  7. (muziek) de ligging van de hand
    Tijdens het bespelen van de gitaar moeten de vingers vaak in een erg pijnlijke positie geplaatst worden om een bepaald akkoord zuiver te laten klinken.
  8. (militair) een opstelling van troepen en materieel
    De kolonel brulde over het terrein dat iedereen zich in positie moest zetten.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie