bobbaan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

bobbaan
Uitspraak
Woordafbreking
  • bob·baan
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bobbaan bobbanen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bobbaan v/m

  1. (sport) ijsbaan waarop een (bob)slee naar beneden kan glijden
     De veiligheidsbeugels van de Bobbaan, de Python, de Vogelrok en de Vliegende Hollander worden voortaan ook gecontroleerd, ook al is dat niet verplicht. Om te voorkomen dat wachttijden toenemen wordt extra personeel ingezet, aldus de woordvoerder.[1]
     Nog voor de eerste slee naar beneden is gegaan, heeft zich al een ernstig ongeluk voorgedaan op de olympische bobbaan in Sotsji.[2]
     Kamphuis moest over vier runs 1,66 toegeven. 4 jaar geleden eindigde ze op de bobbaan van Whistler nog als achtste, toen met remster Tine Veenstra.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
44 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron “Efteling verscherpt controle bij achtbanen” (19-08-2013), Tubantia
  2. Bronlink Weblink bron “Ernstig ongeluk op bobbaan, arbeider bewusteloos” (13-02-2014), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron “Tweemansbob Kamphuis heel knap vierde” (19-02-2014,), Tubantia