zwembad

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwem·bad
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zwembad zwembaden
verkleinwoord zwembadje zwembadjes

Zelfstandig naamwoord

zwembad o

  1. een bassin om in te zwemmen
    Ze maakten 's winters het zwembad leeg.
  2. een inrichting om te zwemmen
    De jeugd gaat tegenwoordig graag naar het zwembad op een warme zomerse dag.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl