vierbaans

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vier·baans
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen vierbaans
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

vierbaans

  1. (verkeer) het hebben van vier banen
    • Hij reed op een vierbaans snelweg. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.