werkloosheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • werk·loos·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord werkloosheid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

werkloosheid v

  1. (formeel) geen baan hebben, betaald werk missen
    • Waar moet ik mijn werkloosheid melden? 
  2. (economie) deel van de beroepsbevolking dat geen baan heeft
    • seizoengecorrigeerde werkloosheid 
  3. (verouderd) niet actief zijn, niks doen
    • Het meest dat my hindert, is een soort van werkloosheid door een duizelige dofheid. [3]
Synoniemen
Opmerkingen
  • In het gesproken Nederlands bestaat er een zekere voorkeur om een lange en korte lettergrepen af te wisselen en wordt 'werkeloosheid' in alle betekenissen meer gebruikt. In formele teksten sinds het eind van de 19e eeuw krijgt het woord 'werkloosheid' vooral de betekenis [1] en [2], als onderscheid met betekenis [3] die een negatief oordeel over personen kan inhouden en die bij 'werkeloosheid' niet is verouderd.
Afgeleide begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord werkloosheid -

Zelfstandig naamwoord

werkloosheid

  1. werkloosheid