strip

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • strip
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord strip strips
verkleinwoord stripje stripjes

Zelfstandig naamwoord

strip m

  1. een boek met een verhaal in beeldvorm
    • De strip was nieuw voor Jan. 
  2. een (metalen) strook
    • De smid maakte de strip van restmateriaal. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
strippen

strip

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van strippen
    • Ik strip. 
  2. gebiedende wijs van strippen
    • Strip! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van strippen
    • Strip je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Engels

Werkwoord

strip

  1. strippen