arm
Uiterlijk
- arm
- Middelnederlands: arm zn
- Oudnederlands: arm zn , aangetroffen vanaf 901 [3]
- Germaans: *armi-, *arma- 'arm'
- Indo-Europees: *h2erH-m- 'gewricht'
- Verwant in Germaanse talen:
- Verwant in andere Indo-Europese talen:
- Latijn: armus "bovenarm, schouderblad", arma mv "wapens"
- Oudgrieks: ἁρμός "gewricht, samenvoeging"
- Oudkerkslavisch: ramo "schouder, arm"
- Middelnederlands: arm bn
- Oudnederlands: arm bn , aangetroffen vanaf 901 [3]
- Germaans: *arma- 'ellendig, behoeftig'
- Indo-Europees: *h3orbh-mo- 'behoeftig, ellendig, beroofd (van iets of iemand)'[5]
- Verwant in Germaanse talen:

| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | arm | armen |
| verkleinwoord | armpje | armpjes |
[A] de arm m
- (anatomie) elk van de bovenste ledematen bij de mens, reikend vanaf de schouder tot (en soms met) de pols en hand
- Hij zwaaide met zijn arm toen hij de aandacht van de politie wilde trekken.
- ▸ Toen hij eindelijk vlakbij was gekomen liep ik geforceerd vrolijk met uitgestrekte armen op hem af en blokkeerde het pad zodat hij er niet langs kon.[6]
- ▸ Waarschijnlijk wrong hij nu een arm door het kleine raam en stak een sigaret op, drie meter van de Vietnamese restauranteigenaar aan de overkant vandaan, die hem met een handgebaar groette of niet groette, afhankelijk van of hun blikken elkaar kruisten, wat de mannen het liefst vermeden - tussen hen in de smalle afgrond waarin een stroom toeristen zijn weg zocht naar de Wallen.[7]
- (organisatiekunde) een (min of meer zelfstandig) onderdeel van een organisatie
- (zoötomie) dierlijk lichaamsdeel met dezelfde functie als de menselijke arm
- Apen hebben vaak heel sterke armen zodat ze zich slingerend door de bomen kunnen bewegen.
- leuning van een zitmeubel, bedoeld om de arm op te laten rusten
- Je hebt stoelen met en zonder armen.
- (natuurkunde) de afstand van de loodrechte projectie vanuit het draaipunt van het voorwerp waarop een kracht wordt uitgeoefend op de lijn door de krachtvector
- Bij een hefboom geldt de volgende formule: arm x gewicht is constant aan beide zijden van het draaipunt
- (geologie) afsplitsing van een rivier of zee
- (geologie) afsplitsing van een stuk land in zee
|
|
- aan de arm lopen (van een verpleger)
- in de arm nemen (een makelaar als je zijn hulp inroept)
- onder de arm nemen (een tas)
- arm in arm lopen
gearmd lopen (met de rechterarm van de ene persoon om de linkerarm van de andere persoon)
- de armen ter hemel heffen
als uiting van verdriet of woede, om Gods hulp of wraak aan te roepen
- de lange arm der wet
de verregaande macht van de wet
- Hij loopt met zijn ziel onder zijn arm.
Hij zit met zijn ziel onder zijn arm.
Hij verveelt zich, hij is verdrietig.
- iemand een arm geven
iemand aan de arm nemen, de arm ter steun aanbieden
- iemand in de armen vliegen
vol emotie iemand omarmen
- met zijn armen over elkaar zitten
de onderarmen gekruist voor de borst hebben
moedeloos zijn
niets doen
moedeloos zijn
niets doen
- zich uit iemands armen losrukken
zich uit iemands armen losscheuren
zich met moeite, tegenzin uit iemands omhelzing losmaken
- een slag om de arm houden
beloven dat je iets zult proberen maar er wel bij zeggen dat je niet zeker weet dat het zal lukken
1. lichaamsdeel
|
|
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | arm | armer | armst |
| verbogen | arme | armere | armste |
| partitief | arms | armers | - |
[B] arm
- niets of bijna niets bezittend
- De school staat in de armste wijk van de stad.
- beklagenswaardig
- Ze hebben die arme hond in een stikhete auto achtergelaten.
- ▸ De arme man had me een uur geleden één vraag gesteld en had vervolgens al mijn verhalen moeten aanhoren. Misschien had ik beter naar een psycholoog kunnen gaan.[6]
- geen of weinig natuurlijke rijkdom bezittend
- Die plant doet het goed op arme gronden.
- rijk
|
|
- arm schaap
beklagenswaardig of onschuldig persoon
- de arme landen
ontwikkelingslanden, derde wereldlanden
- een illusie armer
niet langer deze illusie koesterend
- • Vijf minuten later stonden ze een illusie armer buiten. [8]
- zo arm als Job (naar Job 1:13-22)
zo arm als de straat
zo arm als de mieren, een kerkrat
erg arm
1. weinig bezittend
|
2. beklagenswaardig
- Het woord arm staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "arm" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[9] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ arm op website: Etymologiebank.nl
- 1 2 "arm" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ arm op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Guus Kroonen. 2013. Etymological Dictionary of Proto-Germanic. Leiden, Brill Publishers : p. 35, zie arma-2.
- 1 2 Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers

- ↑ Safae el Khannoussi“Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim
, ISBN 9789493339125 - ↑ Suzanne Vermeer: All-inclusive 2008
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | arm | armen |
| verkleinwoord |
arm
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | arm | armen |
| verkleinwoord |
arm
arm
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| nominatief | arm | arme |
| genitief | arms | arme |
| datief | arme | armen |
| accusatief | arm | arme |
arm m
- Afgeleid van het Oudsaksische arm
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | arm | armen |
| verkleinwoord |
arm
- (anatomie) arm; elk van de bovenste ledematen bij de mens, reikend vanaf de schouder tot (en soms met) de pols en hand
- arm
| stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|
| arm | armer | armscht |
| Sterke verbuiging | mannelijk enkelvoud |
vrouwelijk enkelvoud |
onzijdig enkelvoud |
meervoud |
|---|---|---|---|---|
| nominatief | armer | armi | arm | arme |
| datief | armem | armer | armem | arme |
| accusatief | armer | armi | arm | arme |
| zwakke verbuiging | mannelijk enkelvoud |
vrouwelijk enkelvoud |
onzijdig enkelvoud |
meervoud |
|---|---|---|---|---|
| nominatief | arem | arm | arm | arme |
| datief | arme | arme | arme | arme |
| accusatief | arem | arm | arm | arme |
| Gemengde verbuiging | mannelijk enkelvoud |
vrouwelijk enkelvoud |
onzijdig enkelvoud |
meervoud |
|---|---|---|---|---|
| nominatief | armer | armi | arm | arme |
| datief | arme | arme | arme | arme |
| accusatief | armer | armi | arm | arme |
arm
- arm
- «Der arm Mann hot kee Heemet.»
- De arme man heeft geen thuis.
- «Der arm Mann hot kee Heemet.»
arm
- onbepaald (zonder lidwoord) nominatief en accusatief onzijdig enkelvoud stellende trap van arm
arm
- bepaald nominatief en accusatief vrouwelijk en onzijdig enkelvoud stellende trap van arm
arm
- onbepaald nominatief en accusatief onzijdig enkelvoud stellende trap van arm
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | arm | armen |
| verkleinwoord |
arm
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | arm | armen |
| verkleinwoord |
arm
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | arm | armen |
| verkleinwoord |
arm
| arms | enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | arm | armen | armar | armarna |
| genitief | arms | armens | armars | armarnas |
arm
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 3
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 of 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Erfwoord in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Anatomie in het Nederlands
- Organisatiekunde in het Nederlands
- Zoötomie in het Nederlands
- Natuurkunde in het Nederlands
- Geologie in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %
- Woorden in het Achterhoeks
- Zelfstandig naamwoord in het Achterhoeks
- Anatomie in het Achterhoeks
- Woorden in het Drents
- Zelfstandig naamwoord in het Drents
- Anatomie in het Drents
- Woorden in het Engels
- Woorden in het Engels van lengte 3
- Woorden in het Engels met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Engels
- Woorden in het Middelnederlands
- Woorden in het Middelnederlands van lengte 3
- Zelfstandig naamwoord in het Middelnederlands
- Zelfstandig naamwoord van de sterke verbuiging in het Middelnederlands
- Woorden in het Nedersaksisch
- Zelfstandig naamwoord in het Nedersaksisch
- Anatomie in het Nedersaksisch
- Woorden in het Pennsylvania-Duits
- Woorden in het Pennsylvania-Duits van lengte 3
- Woorden in het Pennsylvania-Duits met audioweergave
- Woorden in het Pennsylvania-Duits met IPA-weergave
- Pennsylvania-Duitse woorden naar herkomst uit het Duits
- Bijvoeglijk naamwoord in het Pennsylvania-Duits
- Bijvoeglijknaamwoordsvorm in het Pennsylvania-Duits
- Woorden in het Sallands
- Zelfstandig naamwoord in het Sallands
- Anatomie in het Sallands
- Woorden in het Twents
- Zelfstandig naamwoord in het Twents
- Anatomie in het Twents
- Woorden in het Veluws
- Zelfstandig naamwoord in het Veluws
- Anatomie in het Veluws
- Woorden in het Zweeds
- Woorden in het Zweeds van lengte 3
- Zelfstandig naamwoord in het Zweeds