armband

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Armband
Uitspraak
Woordafbreking
  • arm·band
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord armband armbanden
verkleinwoord armbandje armbandjes

Zelfstandig naamwoord

armband m

  1. een sierraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
    • Zij had een prachtig gouden armbandje om haar rechterpols. 
    • In het ziekenhuis draagt iedere patiënt een armbandje met zijn naam erop. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie