armband

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Armband
Uitspraak
Woordafbreking
  • arm·band
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord armband armbanden
verkleinwoord armbandje armbandjes

Zelfstandig naamwoord

armband m

  1. een sierraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
    • Zij had een prachtig gouden armbandje om haar rechterpols. 
    • In het ziekenhuis draagt iedere patiënt een armbandje met zijn naam erop. 
     ‘Hallo, ik ben Joop. ’ Een hand met veel gouden ringen en bijpassende armband werd toegestoken.[1]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be