armleuning

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een stoel met armleuningen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • arm·leu·ning
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord armleuning armleuningen
verkleinwoord armleuninkje armleuninkjes

Zelfstandig naamwoord

armleuning v

  1. deel van een meubelstuk (vooral een stoel of een bank) waarop men de arm kan laten rusten
    • Een stoel met armleuning. 
    • Koning Palet zweeg een ogenblik. Zijn handen lagen naast hem op de armleuningen van de Troon. 'Toch,' zei hij, 'willen wij hem een eind op weg helpen. Daarom vraag ik vrijwilligers om met hem mee te gaan naar de plaats die wij kennen als de Tweesprong.' [1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 115