armer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·mer

Bijvoeglijk naamwoord

armer

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van arm


Afrikaans

Bijvoeglijk naamwoord

armer

  1. vergrotende trap van arm


Frans

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
armer
armais
armé
eerste groep volledig

Werkwoord

armer

  1. bewapenen, uitrusten



Noors

Woordafbreking
  • ar·mer
Naar frequentie 3936

Zelfstandig naamwoord

armer, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van arm