lastarm

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • last·arm
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lastarm lastarmen
verkleinwoord lastarmpje lastarmpjes

Zelfstandig naamwoord

lastarm m

  1. een hefboom van b.v. een bouwkraan
Hyperoniemen

Gangbaarheid

61 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.