armvol

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • arm·vol
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord armvol
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

armvol m [1]

  1. een hoeveelheid die men in één keer in zijn armen kan dragen
    • Sheeran pleegt wel meer slimme citaten: de ballad ‘Perfect’ is een update van Eric Claptons ‘Wonderful Tonight’ en het Afrikaans getinte ‘Bibia Be Ye Ye’ (bonustrack op de Deluxe-editie) lijkt sprekend op Paul Simons ‘You Can Call Me Al’. Met zijn elektronisch geloopte gitaar in het middelpunt blijft Ed Sheeran de meester van de romantische ballade, soms met een armvol violen voor wat extra body aan zijn unieke mix van folk en r&b.[2] 
    • Ien van den Heuvel trad toe tot het PvdA-bestuur op het beroemde congres in 1969, waarop de KVP in de ban werd gedaan en tot de volkenrechtelijke erkenning van de Duitse Democratische Republiek werd besloten. In een nota aan het adres van haar medebestuurders (juni 1970) pleitte zij voor 'meer vrouwen, meer jongeren, meer bekwaamheid in alle opzichten, meer leiders om aldus te komen tot meer PvdA-stemmen.' Dus avanceerde zij in 1971 tot tweede vice-voorzitter, in 1973 tot eerste vice-voorzitter en in 1975 uiteindelijk tot voorzitter. Zij kreeg van de Rooie Vrouwen een armvol rode rozen en zong vervolgens met warme alt de Socialistenmarsch.[3]  
Vertalingen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Jan Vollaard 3 maart 2017
  3. NRC Martin van Amerongen 1 februari 1991