armlastig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • arm·las·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het verouderde armenlast (de kosten om arme mensen te ondersteunen) met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen armlastig armlastiger armlastigst
verbogen armlastige armlastigere armlastigste
partitief armlastigs armlastigers -

Bijvoeglijk naamwoord

armlastig

  1. arm, hulpbehoevend
    • Een nieuw stadshuis is veel te duur voor die armlastige gemeente. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.