bras

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bras
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘schoot van een ra’ voor het eerst aangetroffen in 1598 [1]
  • [2] [3] [4]
enkelvoud meervoud
naamwoord bras brassen
verkleinwoord brasje brasjes

Zelfstandig naamwoord

bras m

  1. (scheepvaart) een lijn verbonden aan het uiteinde van een ra met als doel de ra ten opzichte van de wind te kunnen draaien
  2. ongekookte gepelde rijst (geen vervoegingen)
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
brassen

bras

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brassen
    • Ik bras. 
  2. gebiedende wijs van brassen
    • Bras! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brassen
    • Bras je? 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Zelfstandig naamwoord

bras mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bra


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  bras     le bras     bras     les bras  

Zelfstandig naamwoord

bras m

  1. (anatomie) arm