armenwijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·men·wijk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord armenwijk armenwijken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

armenwijk v/m [1]

  1. een deel van de stad waar mensen met een laag inkomen wonen in huizen van een slechte kwaliteit
    • Op een uur afstand, in de armenwijk Esenler wonen veel Koerden die in de ramadanmaand geen limonade drinken. Wel zullen ze net als Omer Nazik op Erdogan stemmen bij de presidentsverkiezingen. De schoonmaakster Fatma, die bezig is met het schoonpoetsen van de alle treden van een flatgebouw, vertelt waarom haar stem naar Erdogan gaat: ‘Ziekenhuizen zijn gratis voor ons. We krijgen gratis kolen. Mochten we het echt nodig hebben, dan krijgen we ook gratis levensmiddelen. Ik hoop dat Erdogan een heel lang leven beschoren is.’ [2] 
    • Volgens Ahmed Elsayed, een souvenirverkoper, bevinden de compensatieflats zich niet dichtbij de oude woningen en zijn ze bovendien heel erg klein. Veel flats liggen in ver afgelegen districten zoals Nieuw Tiba, een armenwijk vijftien kilometer buiten Luxor. 'Er is geen openbaar vervoer, dus nu breng ik de nacht meestal door in het huis van mijn neef in het stadscentrum.' [3] 
    • Aan hoerenlopers geen gebrek in de rosse buurt van de armenwijk. Dat is misschien niet zo verwonderlijk, aangezien een 'bezoekje' aan een prostituee omgerekend 50 eurocent kost. De meisjes, meestal tieners, moeten per dag tot twintig klanten 'afwerken' om aan een min of meer degelijk inkomen te komen. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen