armbezoek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • arm·be·zoek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord armbezoek armbezoeken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

armbezoek o [1]

  1. het naar de armen gaan om zich op de hoogte te stellen van hun toestand en hun noden

Gangbaarheid

37 % van de Nederlanders;
36 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen