armen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·men

Zelfstandig naamwoord

armen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord arm

Zelfstandig naamwoord

armen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord arme


Deens

Woordafbreking
  • ar·men
Naar frequentie 2614

Zelfstandig naamwoord

armen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van arm


Noors

Woordafbreking
  • ar·men
Naar frequentie 1351

Zelfstandig naamwoord

armen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van arm


Nynorsk

Woordafbreking
  • ar·men

Zelfstandig naamwoord

armen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van arm


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
armar

armen

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van armar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van armar


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

armen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van arm