armen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·men

Zelfstandig naamwoord

armen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord arm

Zelfstandig naamwoord

armen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord arme

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.


Achterhoeks

Zelfstandig naamwoord

armen

  1. meervoud van arm


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·men
Naar frequentie 2614

Zelfstandig naamwoord

armen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van arm


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

armen

  1. meervoud van arm


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·men
Naar frequentie 1351

Zelfstandig naamwoord

armen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van arm


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·men

Zelfstandig naamwoord

armen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van arm


Sallands

Zelfstandig naamwoord

armen

  1. meervoud van arm


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
armar

armen

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van armar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van armar
vervoeging van
armarse

armen

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van armarse
  2. gebiedende wijs (ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van armarse


Twents

Zelfstandig naamwoord

armen

  1. meervoud van arm


Veluws

Zelfstandig naamwoord

armen

  1. meervoud van arm


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·men
Naar frequentie 1921

Zelfstandig naamwoord

armen

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van arm