rechterarm

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rech·ter·arm
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rechterarm rechterarmen
verkleinwoord rechterarmpje rechterarmpjes

Zelfstandig naamwoord

rechterarm m

  1. (anatomie) de arm aan de overzijde van waar zich in het lichaam gewoonlijk het hart bevindt
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.