schraal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schraal
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen schraal schraler schraalst
verbogen schrale schralere schraalste
partitief schraals schralers -

Bijvoeglijk naamwoord

schraal

  1. armzalig, minimaal
    • Door de droogte was er maar een schrale oogst. 
  2. onaangenaam uitdrogend
    • Hij zocht beschutting van de schrale wind. 
  3. uitgedroogd, geïrriteerd
    • Zij smeerde wat balsem op de schrale plekken op haar handen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.