schraal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schraal
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen schraal schraler schraalst
verbogen schrale schralere schraalste
partitief schraals schralers -

Bijvoeglijk naamwoord

schraal

  1. armzalig, minimaal
    • Door de droogte was er maar een schrale oogst. 
    • Ik rol een afgebrande lucifer tussen duim en wijsvinger en prik bijwijlen met de geblakerde spits in mijn vlees, een schraal substituut voor het roken. Alles voelt trouwens schraal. [1] 
  2. onaangenaam uitdrogend
    • Hij zocht beschutting van de schrale wind. 
  3. uitgedroogd, geïrriteerd
    • Zij smeerde wat balsem op de schrale plekken op haar handen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Valens, Anton Het compostcirculatieplan 2016 ISBN 978-90-254-4685-7 pagina 15