zijruit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zij·ruit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zijruit zijruiten
verkleinwoord zijruitje zijruitjes

Zelfstandig naamwoord

zijruit v/m

  1. een ruit aan de zijkant van bijvoorbeeld een voertuig
    • De zijruiten waren wat beslagen, maar hij had goed zicht door de voor- en achterruit. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.