zijspoor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zij·spoor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zijspoor zijsporen
verkleinwoord zijspoortje zijspoortjes

Zelfstandig naamwoord

zijspoor o

  1. een spoor opzij of naast het hoofdspoor
    • Op het zijspoor stond een trein te wachten. 
  2. (figuurlijk) op afgedankte/uitgeschakelde plek

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.