zijspiegel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zij·spie·gel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zijspiegel zijspiegels
verkleinwoord zijspiegeltje zijspiegeltjes

Zelfstandig naamwoord

zijspiegel m

  1. (verkeer) een spiegel aan zijkant van een voertuig waarin de chauffeur het zijdelings achteropkomende verkeer kan waarnemen
    • Je moet je zijspiegel nog even goed zetten. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie