zijnet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

in het zijnet hang een mascotte
Uitspraak
Woordafbreking
  • zij·net
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zijnet zijnetten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zijnet o

  1. het net dat aan de zijkant van een goal hangt
    • De bal ging echt door het zijnet in het doel hè?: "Ja, op de tv-beelden is het duidelijk te zien. Maar op het moment zelf zag ik het echt niet. Ik omspeelde de keeper, moest daardoor wat uitwijken naar de zijkant en schoot op doel. Maar ik raakte de bal niet goed. Ik dacht dat de bal er niet in zou gaan en keek al de andere kant op." [1] 
    • Willem II, dat comfortabel achterover leunde, kreeg door gepruts van Joris van Overeem, Simon Gustafson en Timo Letschert zelfs prima kansen in de overname. Doelman David Jensen hoefde echter niet in actie te komen. Een kopbal van Marios Vrousai eindigde in het zijnet. [2] 

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Verwijzingen