zijwand

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

zijwand van een kerk
Uitspraak
Woordafbreking
  • zij·wand
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zijwand zijwanden
verkleinwoord zijwandje zijwandjes

Zelfstandig naamwoord

zijwand m [1]

  1. (bouwkunde) een van de rechtop staande wanden van de zijkant van een ruimte in een gebouw
    • Daarna reed hij vol gas terug naar de garage, ramde de deur en de achter- en de zijwand waardoor instortingsgevaar dreigde. De kleine brokkenpiloot raakte lichtgewond en moest voor behandeling naar het ziekenhuis.[2] 
  2. (bouwkunde) een van de rechtop staande muren aan de zijkant van een gebouw
    • Voor deze campertest kijken we naar de Exsis-i 588: het populaire model met enkele bedden achterin. Die indeling krijgt veel handen op elkaar door de grote garage over de volle breedte, waarin je met gemak twee (elektrische) fietsen en campingstoelen kwijt kunt. De garage is aan beide zijden goed bereikbaar via grote deuren in de zijwanden.[3] 
    • De politie is op zoek naar de vrachtwagen, een witte koeltrailer met de naam TIP op de zijwand. Volgens de politie moet de trucker gemerkt hebben dat hij een auto raakte en meesleepte.[4] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 02 jan. 2018
  3. de Telegraaf DICK WILLIAM HARINCK 12 sep. 2017
  4. de Telegraaf 11 aug. 2016