syncope

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • syn·co·pe
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘uitstoting van een letter in het midden van een woord’ voor het eerst aangetroffen in 1638 [1]
  • Van het Oudgriekse συγκοπή
  • afgeleid van het Griekse 'koptein' (hakken) met het voorvoegsel syn- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord syncope syncopes
syncopen
syncope's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

syncope v/m

  1. (medisch) plotseling bewustzijnsverlies
  2. (muziek) verlegging van de maataccenten
    • Die syncopen rammelden een beetje, laten we het vanaf maat 13 opnieuw doen. 
  3. (taalkunde) het wegvallen van een of meer klanken binnen een woord
    • Als de elisie een klinker binnen het woord betreft, spreekt men van syncope. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

57 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen