Naar inhoud springen

trommel

Uit WikiWoordenboek
  • trom·mel
enkelvoud meervoud
naamwoord trommel trommels
verkleinwoord trommeltje trommeltjes

detrommelv/m

  1. (muziekinstrument) een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
    • De een speelde de fluit en de andere de trommel. 
  2. een vaak ronde, afsluitbare, gewoonlijk metalen doos
    • Doe die koekjes even in de trommel, dan blijven ze vers. 
vervoeging van
trommelen

trommel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trommelen
    • Ik trommel. 
  2. gebiedende wijs van trommelen
    • Trommel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trommelen
    • Trommel je? 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]

trommel

  1. (muziekinstrument) trommel

trommel

  1. trommel; een vaak ronde, afsluitbare, gewoonlijk metalen doos

trommel

  1. trommel; een vaak ronde, afsluitbare, gewoonlijk metalen doos