bushok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bus·hok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bushok bushokken
verkleinwoord bushokje bushokjes

Zelfstandig naamwoord

bushok o

  1. overdekte plaats waar men kan wachten op de bus
    • ,,Een jaar of tien jaar geleden was Ajax kampioen en ik had geen vrienden bij me om het te vieren. Ik ben naar buiten gegaan en heb een bushok gesloopt. Ik stond erbij te huilen, omdat ik met niemand mijn vreugde kon delen. Daar ben ik blijven wachten tot de politie kwam, die me naar een instelling verwees. [1] 

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. NRC Jurryt van de Vooren 21 maart 2003