minibus

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mi·ni·bus
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van bus (bet. 1) met het voorvoegsel mini-
enkelvoud meervoud
naamwoord minibus minibussen
verkleinwoord minibusje minibusjes

Zelfstandig naamwoord

minibus m

  1. kleine bus, met name gebruikt in Azië
    • Vrijwel iedereen reist per minibus of express-bus en boekt een 'open tour' van Ho Chi Minh City naar Hanoi.[1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Vervoer in Vietnam, zuidoostazie.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be