bis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bis

Werkwoord

vervoeging van
bissen

bis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bissen
    Ik bis.
  2. gebiedende wijs van bissen
    Bis!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bissen
    Bis je?
enkelvoud meervoud
naamwoord bis bissen
verkleinwoord bisje bisjes

Zelfstandig naamwoord

bis v/m

  1. (muziek) een met een halve toon verhoogde toon "b"
    De toon “bis” klinkt in de getempereerde stemming gelijk aan de toon “c”.
  2. (muziek) de grondtoon (tonica) van de “bis-mineurtoonladder”, een toonladder met 9 kruisen als voortekens, tevens een korte aanduiding van die toonladder
    Een muziekstuk in bis wordt daargaans genoteerd in het gelijkklinkende c-mineur, dat slechts drie mollen als voortekens heeft.
  3. (muziek) de grondtoon van het “bis-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonladder op die toon
    De drie tonen van het bis-mineurakkoord (symbool: B#m) in grondligging, zijn: bis - dis - fisis.
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Beiers

Uitspraak
Woordafbreking
  • bis

Voorzetsel

bis

  1. tot
  1. «Bis 1945 hod Dãnzig zum Deitschen Reich ghärt»
    Tot 1945 heeft Gdanśk van de Duitse Rijk behoort.


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • bis

Voorzetsel

bis

  1. tot


Fijisch Hindoestani

Telwoord (hif)
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300
4 14 40 400
5 15 50 500
6 16 60 600
7 17 70 700
8 18 80 800
9 19 90 900

Hoofdtelwoord

bis

  1. twintig



Indonesisch

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

bis

  1. bus
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen


Latijn

Telbijwoord (lat)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15
15
50 500 1015
6 16
16
60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027

Telbijwoord

bĭs

  1. tweemaal


Luxemburgs

Uitspraak
Woordafbreking
  • bis

Voorzetsel

bis

  1. tot