omnibus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·ni·bus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord omnibus omnibussen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

omnibus v / m

  1. (letterkunde) verzameling verhalen, romans in één band
  2. (geschiedenis) vroeger voor openbaar vervoer gebruikt rijtuig getrokken door paarden
  3. (spoorwegen) stoptrein
    omnibus bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Tsjechisch

Zelfstandig naamwoord

omnibus m onbezield

  1. (verkeer) omnibus
Verbuiging
Afgeleide begrippen