belbus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bel·bus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord belbus belbussen
verkleinwoord belbusje belbusjes

Zelfstandig naamwoord

belbus m

  1. busdienst waarvoor passagiers tevoren telefonisch of anderszins reserveren

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen