blikje
Uiterlijk
- blik·je
het blikje o
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord blik
- ▸ Niet dat het veel voorstelt, de tafel of de lunch, de laatste is een blikje pinda's uit de minibar van het hotel en een glas water, maar om twaalf uur lunchen beschaafde mensen en als Britt-Marie iets is, dan is ze beschaafd.[1]
- ▸ 'Een rat,' zei oom Tony, waarna hij opstond om het blikje op te rapen.[2]
- Het woord blikje staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "blikje" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Frederik Backman“Britt-Marie was hier” (2015), Q, ISBN 9789021400679
- ↑ “Holy Trientje” (2019), Ambo Anthos, ISBN 9789026334238
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %