bruinen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brui·nen

Zelfstandig naamwoord

bruinen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bruin
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bruinen
bruinde
gebruind
zwak -d volledig

Werkwoord

bruinen

  1. onovergankelijk bruin worden
    • Zij bruinen onder de hoogtezon. 
  2. overgankelijk iets bruin maken
    • De hoogtezon heeft hun huid gebruind. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie